‘Flandria Nostra’ van Jules Lagae

Dit gipsen ruiterbeeld zal heel wat Bruggelingen bekend zijn, zij het in de bronzen versie op het Muntplein. Vaak denkt men dat de vrouwenfiguur op het paard een voorstelling is van Maria van Bourgondië. Het verhaal is net iets ingewikkelder.

Hulde aan Vlaanderen!

Nog tijdens Guido Gezelle’s leven vraagt Hugo Verriest aan Jules Lagae (Roeselare, 1862 – Brugge, 1931) om de priester-dichter te vereeuwigen in een buste. Het beeld uit 1894 kent talrijke kopies en afgeleiden.

lagae en gezelle

Jules Lagae bij het gipsen ontwerp voor de buste van Guido Gezelle, 1894

 

In 1899 maakt Lagae ook het dodenmasker van Gezelle en een afgietsel van zijn hand. Een van de laatste versies die Lagae ontwerpt, staat in Brugge op het Guido Gezelleplein, het vroegere Onze-Lieve-Vrouwekerkhof Noord. Het beeld wordt op 4 mei 1930 onthuld in het bijzijn van het koningspaar Albert I en Elisabeth.

 

In 1899 neemt de beeldhouwer deel aan een wedstrijd voor het Kortrijkse Guldensporenmonument, dat men in 1902 wil onthullen. Het beeld stelt de Maagd van Vlaanderen te paard voor. Lagae heeft een grootse opzet voor ogen: op de marmeren sokkel, gevuld met aarde vanuit alle hoeken van Vlaanderen, zouden de namen van grote Vlamingen worden ingewerkt “zoodat het gedenkteeken als een open boek onzer roemrijke geschiedenis wezen zou, waarin ons volk de grootheid der vaderen leren zal”.

Hij wordt pas tweede met zijn ‘Flandria Nostra’ (Ons Vlaanderen) beeld, na een controversiële beslissing van de jury. De pers spreekt over ‘un scandale’ en ‘konkoers-konkelfoes‘.

Lagae gaat op zoek naar een andere bestemming voor zijn werk. Naar aanleiding van de plechtige inhuldiging van de haven van Zeebrugge in 1907 wil hij zijn ontwerp realiseren op ware grootte in brons en het op de Brugse Burg plaatsen. De Stad Brugge heeft immers financiële steun toegezegd aan de oprichting van het Guldensporenmonument dat op de Groeningekouter in Kortijk moet komen. Charles Dewulf, de Brugse stadsarchitect die heel wat neogotische verbouwingen in de stad uitvoert, heeft al een ontwerp klaar voor het voetstuk. Lagae is optimistisch: hij denkt dat de 60.000 frank die nodig is om het monument te verwezenlijken, kan worden bijeengebracht door de Staat, de Stad Brugge en de provincie West-Vlaanderen. De overheden gaan echter niet mee in zijn visie, het Kortrijkse Guldensporenmonument wordt immers nog steeds volgens plan uitgevoerd door Godfried Devreese, ondersteund door dezelfde overheden. Het huldemonument zoals Lagae het ziet, zal er nooit komen. Het gipsen model blijft in het Brugse stadhuis.

 

Wie is het?

In 1986 wordt het ruiterbeeld dan toch in brons gegoten, op het formaat van het gipsmodel. Het jaar erop krijgt het beeld een plaats op het Muntplein. De sokkel van Charles Dewulf is alvast niet weerhouden. Het opschrift luidt: “Jules Lagae (1862-1931) / Flandria Nostra / 1901 / Ingehuldigd op 8 juli 1987 / door Frank Van Acker / Burgemeester en Minister van Staat”.

Ondanks de titel ‘Flandria Nostra’ op het voetstuk  is het niet zo verwonderlijk dat velen er Maria van Bourgondië in herkennen. Vlakbij het Muntplein ligt immers het Prinsenhof, Maria’s paleis. En  Maria sterft in 1482 op 25-jarige leeftijd in datzelfde Prinsenhof nadat haar paard over een boomstronk struikelt en zij fataal ten val komt. Het Muntplein aan het Prinsenhof is dus de logische plaats voor huldebetoon aan Maria van Bourgondië.

Maar Lagae ontwerpt met ‘Flandria Nostra’ een ode aan het Vlaamse Genie, geen beeld naar model van Maria van Bourgondië. Dat is trouwens de oorspronkelijke opdracht voor het Guldensporenmonument: het nationale én godsdienstige karakter van de Guldensporenslag in de verf zetten. De vrouw te paard heeft een wapenschild van Vlaanderen op de borst en bovendien hangt aan haar rechterzijde een schild met de klimmende Leeuw van Vlaanderen. Een kunstenaar die zo natuurgetrouw werkt als Lagae, zou zich voor het gezicht van Maria van Bourgondië baseren op het praalgraf van de hertogin in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, als dat de opdracht was geweest. Het volle gelaat van het ruiterbeeld lijkt echter niet op het fijnbesneden gezichtje van het praalgraf.

Lagae’s erfenis

Zonder het te beseffen worden we wel vaker met het werk van Jules Lagae geconfronteerd. Zoals al gezegd is de meest gangbare afbeelding van Guido Gezelle gebaseerd op zijn beeld uit de late 19de eeuw.

bloemenhulde Gezelle 1930 bijgesneden

Bloemenhulde bij Lagae’s gipsen beeld van Gezelle, 1 mei 1930, (c) Beeldbankbrugge, foto A. Brusselle

Het al even iconische beeld van Albrecht Rodenbach met een blauwvoet (1909) in Roeselare is ook van zijn hand. Hij ontwerpt daarnaast verschillende Belgische herdenkingsmonumenten in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, waarin zijn oudste zoon het leven laat.

Maar wellicht een van de meer gefotografeerde werken van Lagae bevindt zich in Brussel, centraal in het Jubelpark. Samen met Thomas Vinçotte staat Lagae in voor de bronzen beeldengroep boven op de Triomfboog (ook wel de Tervuursepoort genoemd) die naar aanleiding van het vijfenzeventigste verjaardag van België in 1905 wordt opgericht tussen de tentoonstellingshallen. Leopold II is danig onder de indruk van Lagae’s werk en bestelt daarna nog beelden voor ‘zijn’ badstad, Oostende.

10005026_A016_P02

38688484

Brabant op zijn strijdwagen voortgetrokken door vier paarden en zwaaiend met de nationale vlag, Thomas Vincotte (strijdwagen) en Jules Lagae (paarden), bronzen bekroning van de Triomfboog van het Jubelpark, 1905.

 

Meer weten?

Andreas Stynen, Een geheugen in fragmenten. Heilige plaatsen van de Vlaamse beweging, Lannoo Tielt, 2005 (over de ontstaansgeschiedenis van het Guldensporenmonument).

Meer objecten en verhalen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *