De boot van Brugge

Augustus 1899. Opschudding bij de graafwerken voor de aanleg van het Groot Handelsdok, ter hoogte van Fort Lapin. Eerder heeft men al sporen van een Romeinse nederzetting blootgelegd. Nu meldt men ook de vondst van een goed geconserveerde houten boot.

Baron Alfred de Loë, adjunct-conservator in het Brusselse Jubelparkmuseum, haast zich ter plaatse. Hij is vergezeld van Aimé Rutot, geoloog van het Koninklijk Natuurhistorisch Museum. Als ze aankomen is één zijde van de boot al vernield. Beide heren proberen te redden wat er te redden valt. Maar na een afwezigheid van nauwelijks een uur, worden ze bij hun terugkeer geconfronteerd met een immense graafmachine die in allerijl ter plaatse is gebracht om de boot te vernielen. De heren kunnen enkel nog brokstukken verzamelen…

Ook de Société Archéologique de Bruges is van de vondst op de hoogte gebracht. Ed. Jonckheere neemt het op zich om alle brokstukken zorgvuldig op te meten en op te tekenen om zo een reconstructie van de boot te maken. In het verslagboek van de Société lezen we dat Jonckheere de stukken ook reinigt: ‘Conformément à des procédés connus en Norvège et pour l’obtention desquels Mgr. [Bethune] a écrit entr’autres à Christiania on soumettra le bois à un traitement spécial qui l’empêchera de tomber en poussière.’ Later krijgen de brokstukken een plaats in het museum van de Société, dat de voorloper is van het Gruuthusemuseum.

B_OB_Gazette van Brugge 26 08 1899 p2

De Gazette van Brugge meldt op 26 augustus 1899 de vondst van de boot

7 meter – 15 meter (schrappen wat niet past)

Over de reconstructie en de totale afmetingen van de boot is jarenlang gedebatteerd. De situatie bij de vondst is enkel vastgelegd in een snelle schets van Rutot. Hij had daarbij vooral aandacht voor de positie van de boot in de geologische opbouw van de bodem. De boot zelf is enkel in doorsnede op de tekening te zien.

Zelfs Rutot en De Loë, de enige twee die de boot in situ met hun eigen ogen hebben gezien, komen niet tot eenzelfde besluit. Rutot schat de totale lengte van de boot op zo’n 7 meter. De Loë ziet er een boot van 15 meter in. Blijkbaar is de boot bij hun eerste bezoek nog niet voldoende blootgelegd en na hun terugkeer te zeer vernietigd. De enige houvast voor de reconstructie zijn de brokstukken die ingezameld werden en die Jonckheere enkele dagen na de vondst optekent. Op dat ogenblik zijn de brokstukken nog niet vervormd door uitdroging. Net daarom zijn de tekeningen vandaag nog altijd van groot belang voor de studie van de boot.

Blackfriars I reconstructie

Reconstructie van de Blackfriar I boot

In 1962 vindt men in Londen de Blackfriars I boot. Men vergelijkt deze boot met de resten die in Brugge gevonden zijn. In de jaren die volgen, doet men nog meer scheepsvondsten uit de Romeinse tijd en bouwt men in Nederland heel wat ervaring op in scheepsarcheologisch onderzoek, onder andere met de vondst van de zes Zwammerdam schepen. Al die ervaring wordt in 2010 samengevoegd om de Brugse boot opnieuw te bestuderen in het kader van de tentoonstelling ‘Uit goede bron’ over de vroegste geschiedenis van Brugge. Uit die studie blijkt dat we te maken hebben met de resten van één vaartuig en tenminste één stuk van een tweede. Die stukken zijn misschien hergebruikt voor het maken van een beschoeide steiger of landhoofd aan de oever van een toen nog actieve getijdengeul.

Zee of rivier?

Maar om wat voor boot gaat het? Opvallend aan de Brugse vondst is de bevestiging van de huidplanken aan de spanten. Daarvoor zijn niet alleen spijkers gebruikt, zoals gebruikelijk bij Romeins-Keltische rivierschepen in West-Europa. Bij de Brugse boot zijn vooraf in de spanten gaten geboord die daarna weer zijn dichtgemaakt met houten pennen. Vervolgens zijn in deze pennen gaten geboord en lange dunne ijzeren spijkers in geslagen. Mogelijk paste men deze methode toe bij schepen die niet alleen op rivieren maar ook op het ruwere en zoute water van het Kanaal en de Zuidelijke Noordzee voeren.

[youtube https://www.youtube.com/watch?v=jARCTC2VjEg&w=560&h=315]

 

Datering

Localisatie van de boot door Rutot

Ligging van de boot ten opzichte van de Romeinse nederzetting

Een exacte datering van de boot is via dendrochronologisch onderzoek helaas niet vast te stellen. Er is wel bepaald dat de boot gemaakt werd uit stukken inlandse eik. In de jaren ‘70 heeft men C14-onderzoek gedaan op twee verschillende stukken. Resultaat: een datering van 70-430 en 120-330 na Christus. Deze data zijn echter niet betrouwbaar: de spreiding is nogal groot en er kan ook beïnvloeding zijn door de cellulose lak waarmee de houtstukken werden ingesmeerd. Het feit dat de boot werd gevonden vlakbij de restanten van een belangrijke Romeinse nederzetting kan echter ook helpen bij de datering. Het vondstenmateriaal daar bestaat niet enkel uit lokaal geproduceerd aardewerk maar ook scherven van ingevoerde terra sigillata. Op basis daarvan wordt de site gedateerd tussen 50 en 270 na Christus.

Vandaag houden wetenschappers het dus bij volgende conclusie: de Brugse boot is een Romeins vaartuig dat zowel op rivieren als op zee gebruikt werd. Het voer vermoedelijk via een getijdengeul tot aan Fort Lapin waar een Romeinse nederzetting was. De boot zonk daar of werd er aan een aanlegsteiger achtergelaten.

Nieuwsgierig naar de échte resten? Die worden bewaard door Raakvlak. Het roer van het schip kan je bekijken in het Archeologisch Museum.

Meer lezen? B. Hillewaert, Y. Hollevoet en M. Ryckaert (red.), Op het raakvlak tussen twee landschappen. De vroegste geschiedenis van Brugge, Brugge, 2011.

 

Meer objecten en verhalen

Geen gedachten over De boot van Brugge

  1. […] graven er een haven uit de ijzertijd en de Romeinse periode op. De meest opmerkelijke vondst is een Romeinse boot die zowel op rivieren als op zee kan varen. Via de getijdengeul kan deze boot van de zee richting […]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *