De kluizenaar van de Dijver

Bijna tien eeuwen geleden, op 2 oktober 1060, sterft op de Dijver de kluizenaar Everelmus, nadat hij er twaalf jaar teruggetrokken heeft geleefd. Vandaag flaneren er jaarlijks honderdduizenden toeristen op deze oever van de Reie. Het verhaal van menselijke aanwezigheid in hartje Brugge, van voor het jaar 1000 tot nu wordt hier door hoofdarchivaris Noël Geirnaert verteld aan de hand van… een stuk steen.

Een steenfragment

In 2013 verlaten de zusters van de Sint-Trudoabdij het kasteel van Male in Sint-Kruis. Ze nemen één van de belangrijkste geschreven documenten over hun oudste geschiedenis mee naar hun nieuwe woonst. Het is een gewichtig document – letterlijk. We hebben het namelijk over de steen van Everelmus.

De zusters bewaren de steen dan al meer dan een halve eeuw in hun abdijkerk. Hij is door een lokale archeoloog teruggevonden op het terrein van de Sint-Trudohoeve in Assebroek. Oorspronkelijk komt de gedenksteen echter uit de Brugse Eekhoutabdij, waarvan de Sint-Trudoabdij zich rond het midden van de 12de eeuw afsplitst. De gedenksteen blijft in de Eekhoutabdij tot aan de afschaffing van de abdij in de Revolutietijd, eind 18de eeuw.

De steen is zeer onvolledig, eigenlijk is het maar een fragment. Gelukkig zijn er in de Openbare Bibliotheek en elders nog volledige kopieën op papier bewaard. Daarop zien we een kluizenaar afgebeeld tussen twee eiken, met daaronder een Latijnse tekst. In vertaling luidt de tekst: ‘Hier rust Everelmus de kluizenaar, die twaalf jaar op dit eiland, dit gewijd bos van ons, geleefd heeft, en hij stierf op twee oktober van het jaar Onzes Heren 1060.’ Op basis van de kopieën vult de Brugse beeldhouwer Jef Claerhout in 1989 het bewaarde steenfragment opnieuw aan.

fig-iv-b-1-small

De steen van Everelmus, aangevuld door Jef Claerhout

Feit of fictie?

Op basis van het schrift van het origineel bestempelt men de tekst als 15de-eeuws. Hij verwijst echter naar het graf van een kluizenaar uit de 11de eeuw. Een hyperkritische historicus heeft dan ook in 2003 gemeend dat de steen een fictief verhaal vertelt. Everelmus zou nooit hebben bestaan.

Hic iacet . everelmus . anachorita / qui duodecim annis hac in insula luci / nostri conversatus est et obiit anno /domini M°.LX°. secunda die octobris. Latijnse tekst op de steen van Everelmus

Toch blijkt overduidelijk uit het vroegere onderzoek (1961) van de al even kritische Nicolas Huyghebaert, monnik van Zevenkerken en docent aan de Leuvense universiteit, dat de tekst op de steen gebaseerd is op een 11de-eeuwse bron. De oorspronkelijke tekst stond op een loden plaatje. In de middeleeuwen legde men dergelijke plaatjes in het graf, bij het hoofd van de overledene. In onze regio zijn nog enkele loden grafplaatjes teruggevonden. De schatkamer van de Sint-Salvatorkathedraal bewaart het grafplaatje van prinses Gunildis, die in 1087 in Brugge stierf. In de kerk van Lapscheure bevindt zich het grafplaatje van de geestelijke Volcrannus, overleden in 1088.

Het bestaan van de kluizenaar Everelmus is dus wel degelijk een historisch gegeven. Rond het midden van de 11de eeuw verblijft hij als kluizenaar op een eiland dat aan de noordzijde begrensd wordt door de Dijver. Hij sterft er op 2 oktober 1060. Kort daarop ontstaat op die plek de Eekhoutabdij. De reguliere kanunniken van de abdij beschouwen Everelmus als hun stichter.

Rituelen op de Dijver

De betekenis van Everelmus voor de Brugse geschiedenis gaat echter veel verder dan zijn rol als pionier van de Eekhoutabdij. In de volle middeleeuwen vestigen kluizenaars zich vaak heel bewust op heidense cultusplaatsen. Door hun aanwezigheid en de bouw van een kerkje christianiseren zij deze heidense cultusplaatsen en nemen ze de magisch-heidense aantrekkingskracht weg. Maar tegelijkertijd blijft het een vertrouwde plek voor de bewoners.

magis-2-small

De Eekhoutabdij op de kaart van Marcus Gerards (1562)

Ook het eiland aan de Dijver is allicht nog gedurende heel het eerste millennium van onze tijdrekening een heidense cultusplaats die teruggaat tot de Keltische periode. Taalkundigen hebben namelijk vastgesteld dat de plaatsnaam ‘Dijver’ verband houdt met het Keltische woord ‘divara’, wat ‘de goddelijke’ betekent. De naam ‘Dijver’ zou dan ook ‘heilig water’ betekenen. In 1971 bestempelt de taalkundige Maurits Gysseling op basis van dit gegeven het eiland bij de Dijver dan ook als een pregermaanse, heidense cultusplaats. De Dijver vormt de noordergrens van een eiland dat nog in de 12de eeuw begroeid is met eikenhout. Ook in een eikenbos vermoedt men bovenaardse krachten. Heilig water in de Dijver, eikenhout op het eiland… Niet verwonderlijk dat een dergelijke locatie nog tot ver in de 11de  eeuw een magische aantrekkingskracht uitoefent. Vervuld van heidense huiver trekken mensen naar dit eikenbos en heilig water met hun offergaven. Ze houden er ook cultische maaltijden.

(Meer dan) duizend jaar aanwezigheid

Dat Everelmus zich daar in 1048 vestigt, is dan ook niet toevallig. Met zijn komst en de bouw van een kerkje maakt hij een einde aan deze heidense praktijken. Het kerkje van Everelmus vormt de kern voor de latere Eekhoutabdij. Deze bidplaats is toegewijd aan de heilige Bartholomeus. De verering voor de heilige Bartholomeus begint rond het jaar 1000. Dan laat keizer Otto III de relieken van de apostel Bartholomeus naar Rome overbrengen. Ze krijgen een plaats in de kerk van San-Bartolomeo in Isola. De kerk ligt op een eiland in de Tiber en is gebouwd op een bron waarvan het water voordien onder de aanroeping van een heidense god Esculapius een genezende kracht zou hebben gehad. De gelijkenis met het eiland aan de Dijver is treffend…

De kluizenaar Everelmus, overleden in 1060, maakt een einde aan duizend jaar heidense praktijken bij de Dijver. Deze cultusplaats is het enige vage spoor van een voortdurende menselijke aanwezigheid in de huidige Brugse stadskern sinds het begin van onze tijdrekening.

Meer lezen?

Noël Geirnaert, Vroege religiegeschiedenis en plaatsnaamkunde: vage sporen van de vroegste Brugse geschiedenis, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 148 (2011), blz. 45-54.

Een verkorte versie van dit artikel is te vinden in: Bieke Hillewaert, Yann Hollevoet en Marc Ryckaert (red.), Op het raakvlak van twee landschappen. Nieuwe inzichten over de oudste geschiedenis van Brugge en omstreken, Brugge, 2011, blz. 143-144.

Meer objecten en verhalen

1 gedacht over De kluizenaar van de Dijver

  1. […] Onze-Lieve-Vrouw van Odegem in het Sint-Trudoklooster (de vrouwelijke tak van de Brugse Eekhoutabdij) en Onze-Lieve-Vrouw van Engelendale bij de dominicanessen in het Engelendalenklooster. Beide […]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *