De trekring van de Rederijkerskamer van de Heilige Geest

Sinds juli 2017 is de rederijkerscultuur ingeschreven in de Inventaris Vlaanderen voor Immaterieel Erfgoed. De rederijkerskamers die vandaag nog actief zijn in Vlaanderen, kunnen inderdaad buigen op een rijk verleden. De rederijkerscultuur ontwikkelt zich in onze contreien vanaf het begin van de 15de eeuw, geïnspireerd op voorbeelden uit (Frans-)Vlaanderen. De Nederlandse benaming ‘rederijkerskamer’ stamt af van het Franse ‘chambre de rhétorique’.

In de middeleeuwen zijn de rederijkerskamers een soort letterkundige gilden: de leden schrijven poëzie en toneel en brengen dit alles ook op scène. In opdracht van het stadsbestuur werken zij mee aan stoeten, processies, blijde intredes… en dragen zo bij aan de stedelijke feestcultuur. Binnen hun vereniging houden zij wedstrijden en ze nemen ook deel aan wedstrijden waarbij kamers uit verschillende steden zich met elkaar meten.

X.O.0161

Trekring van de Rederijkerskamer van de H. Geest, coll. Gruuthusemuseum Brugge (X.O.0161), foto: Dominique Provost

De Heilige Geest daalt neer

In Brugge worden in de 15de eeuw twee kamers opgericht. Rond 1470 ziet de kamer van De Drie Santinnen het levenslicht. Maar de oudste is de Rederijkerskamer van de Heilige Geest, opgericht in 1428. Ze behoort daarmee ook tot de oudste rederijkerskamers in Vlaanderen.

In ’t jaer duyst vier hondert – by wysen engiene – / ende achtentwyntigh doe waeren versaemdt / te Jan van Hulst in ’t hoveken zy derthiene (…). / Dies zeyde Jan van Hulst met vreughden: / ‘O broeders, den gheest wil hier beeten / dies zullen wy ’s Helichs Gheest broeders heeten.’

Dit stichtingsjaar staat vermeld in een gedicht waarmee het resolutieboek van de H. Geestkamer opent. De tekst dateert uit 1640. De namen van de stichters staan erbij genoteerd. Een aantal van hen zijn inderdaad terug te vinden in archiefstukken uit de eerste decennia van de 15de eeuw. Voor zover te traceren, behoren de stichters allen tot de hogere, kapitaalkrachtige kringen. De vroegste vermelding van de kamer in de stadrekeningen dateert van 1442. Alles bij elkaar genomen lijkt de genoemde stichtingsdatum dus realistisch.

79K10_006v-007r_accrostichon Jan van Hulst

Slotregels van het gebed ‘Sonder smette zaliche rose (Salve Regina)’ in het Gruuthusehandschrift. De naam van de auteur, Jan van Hulst, verschijnt wanneer men, van boven naar onder, telkens de eerste letter van elke regel leest, coll. Koninklijke Bibliotheek Den Haag (79 K 10), foto: KB Den Haag

 

Deze rederijkerskamers komen niet uit de lucht vallen. Rond 1400 (en vroeger) bestaat er binnen de hogere burgerij in Brugge een actieve belangstelling voor poëzie en literatuur. Het stadsbestuur doet bovendien graag beroep op schrijvers en acteurs om de vele festiviteiten in de stad op te luisteren. Er is kortom een gezonde voedingsbodem. Rond het Gruuthusehandschrift bijvoorbeeld, de oudste verzameling liederen in het Middelnederlands die bewaard is gebleven en die rond 1400 is ontstaan, cirkelen een aantal figuren die zeker of met grote waarschijnlijkheid bij de rederijkerij betrokken zijn. Zo is de Jan van Hulst, die in het gedicht wordt genoemd als de ‘aanstichter’ van de oprichting, mogelijk de Jan van Hulst van wie teksten in het Gruuthusehandschrift staan. Als stichtend lid staat ook Gillis Honin (junior) vermeld, zoon van Gillis Honin (senior) die geïdentificeerd is als de Egidius uit het gelijknamige lied in het Gruuthusehandschrift.

20121219_0108_SAB_Jan van Hulst

In de stadsrekeningen van 1394 staat te lezen dat Jan van Hulst en zijn gezelschap de hertog bij een bezoek aan de stad vermaakt hebben door een parodie van een steekspel op te voeren, coll. Stadsarchief Brugge (Oud Archief, reeks 216), foto: Dominique Provost

Voorvaderen en afstammelingen

Een belangrijke figuur in de vroege jaren van de rederijkerij is Anthonis De Roovere, de auteur van de Excellente Cronike van Vlaenderen. Op 17-jarige leeftijd wint hij een dichtwedstrijd van de Rederijkerskamer van de H. Geest met een gedicht dat antwoord geeft op de vraag ‘Kan een moederhart liegen?’. Het is de start van een bloeiende carrière. De Roovere is de eerste rederijker van wie een groot deel van het oeuvre bewaard is gebleven, dankzij de bundeling ervan door die andere belangrijke rederijker in de 16de eeuw: Eduard de Dene.

De Dene, lid van de Rederijkerskamer van De Drie Santinnen, bundelt verder ook zijn eigen werk. Cornelis Everaert, lid van beide rederijkerskamers, doet hetzelfde. Daarmee is voor Brugge een mooi staaltje rederijkersliteratuur, toch ‘maar’ gelegenheidsliteratuur en niet bestemd voor de eeuwigheid, bewaard gebleven.

Over de vroegste activiteiten van de H. Geestkamer is niet zoveel bekend. In 1755 vernielt een brand immers het archief van de kamer. Uit bronnen van buitenaf kunnen we wel afleiden dat de kamer deelneemt aan wedstrijden binnen en buiten Brugge.

0000_GRO0524_I 003

Paul De Cock, De Heilige Drievuldigheid, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO0524.I), foto: Dominique Provost

In de 17de en 18de eeuw blijven de rederijkerskamers bestaan, maar ze boeten aan belang in. Rond de Franse revolutie gaat de kamer van de H. Geest ter ziele. Op het einde van de 19de eeuw wordt ze opnieuw opgericht. De kamer bestaat vandaag nog steeds en is actief als amateurtoneelgezelschap. De Drie Santinnen verdwijnt rond 1830. In de tweede helft van de 20ste eeuw wordt deze kamer weer opgericht in de schoot van de Vriendenkring van de Brugeoise, maar na een tijd begint ze weer een sluimerend bestaan te leiden.

Tastbare relicten

De zilveren trekring is een van de weinige objecten in verband met de rederijkerscultuur in de collectie van Musea Brugge. De mogelijke maker is meester Joannes Hermans, meester vanaf 1726 en gestorven in 1745. De ring dient om een klokje te luiden, dat nu verdwenen is.

0000_GRO1307_I_DP (Small)

Jacques De Rijcke, Wapenbord van de Rederijkerskamer van de H. Geest, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO1307.I), foto: Dominique Provost

Bovenaan de ring is een duif in een stralenkrans afgebeeld. Op de banderol staat de spreuk ‘Myn werc is hemelyck’, het devies van de kamer van de H. Geest. Op de achterzijde staat het wapenschild van de Brugse academie. Dit mag niet verwonderen. De academie neemt immers in de eerste helft van de 18de eeuw ook haar intrek in de Poortersloge, waar de rederijkers minstens sinds 1590 vergaderen. De kamer en de academie onderhouden goede relaties. De rederijkers vragen de academie een aantal keer schilderijen te maken om hun vergaderlokaal op te luisteren. Heel wat leden van de kamer zijn overigens ook lid van de academie en vice versa. Net als in de beginjaren is de rederijkerskamer een plaats waar men relaties kan aanknopen en onderhouden – kan netwerken dus.

Bij de trekring hoort een ketting van meer dan vijf meter lang. Hij bestaat uit 149 schakels, die elk bestaan uit twee naamplaatjes. Op bijna elk plaatje staat een naam en soms een datum. Het oudst gedateerde plaatje is van 1629, de meeste dateren van 1699. Op deze 17de-eeuwse plaatjes staat op de achterkant vaak een tekst in rederijkerstaal die alludeert op de naam van de betrokkene. De schakels zitten niet in chronologische volgorde. Dit doet vermoeden dat de ketting in de 19de eeuw is hersmeed.

0000.GRO1501.I_MUS050307_01_Stadsfotografen

Paul De Cock, Apollo kroont de muziek en de toneelkunst, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO1501.I), foto: Cel Fotografie Stad Brugge

Nog uit de 18de eeuw dateren vier schilderijen die in opdracht van de Rederijkerskamer van de H. Geest zijn gemaakt. Zij moeten het lokaal van de kamer sieren in de heropgebouwde Poortersloge (een brand legt de Poortersloge in 1755 in de as, waarna die in sneltempo wordt heropgebouwd).  Jacques De Rijcke, leerling en later leraar aan de academie, schildert twee wapenborden, waarop centraal het wapenschild van de hoofdman staat met rondom de wapenschilden van de andere rederijkers. De twee andere schilderijen zijn van de hand van Paul De Cock, die het schopt tot directeur van de academie. Hij schildert een Heilige Drievuldigheid en een ‘Apollo kroont de muziek en de toneelkunst’.

Meer zien en lezen?

De trekring en één van de wapenborden zijn nog tot 22 april 2018 te zien op de tentoonstelling ‘Gruuthuse in galant gezelschap’ in het Arentshuis.

De bloeiperiode van de Brugse academie tussen 1750 en 1850 wordt belicht in het Groeningemuseum.

In Brugge is vandaag nog een tweede rederijkerskamer actief: de Kamer van Retorika ‘De Gezellen van de Heilige Michiel’, opgericht in 1956.

Noël Geirnaert, Het Gruuthusehandschrift in de cultureel-maatschappelijke context van Brugge rond 1400, in: Jos Koldeweij, Inge Geysen en Eva Tahon (red.), Liefde & Devotie. Het Gruuthusehandschrift: kunst en cultuur omstreeks 1400, 2013, p. 80-88.

Johan B. Oosterman, Tussen twee wateren zwem ik. Anthonis de Roovere tussen rederijkers en rhétoriqueurs, in: Jaarboek De Fonteine, jg. 1999-2000, p. 11-27.

Selden is volmaect de feeste. Zeshonderd jaar rederijkersleven te Brugge, Brugge, 1995 (catalogus bij een tentoonstelling in het Stadsarchief). De uitgebreide versie van de catalogustekst is te lezen in: Dirk Geirnaert, De kamers van rhetorica te Brugge. Een blik op 400 jaar Brugse rederijkersactiviteit, in: Biekorf, jg. 95 (1995), p. 234-250.

Dominiek Dendooven, Nieuw licht op de 18de-eeuwse Brugse rederijkersschilderijen: werk van Paul De Cock en Jacques De Rijcke, in: Jaarboek 1993-1994 Stedelijke Musea Brugge. Deel 1, p. 189-201.

Laurence Derycke en Anne-Laure Van Bruaene, Sociale en literaire dynamiek in het vroeg vijftiende-eeuwse Brugge: de oprichting van de Rederijkerskamer van de Heilige Geest ca. 1428, in : Johan Oosterman (red.), Stad van koopmanschap en vrede. Literatuur in Brugge tussen Middeleeuwen en Rederijkerstijd, Leuven, 2005, p. 59-96.

Valentin Vermeersch, Zilver en Wandtapijten. Catalogus Gruuthusemuseum Brugge, Brugge, 1980, p. 162-168.

Meer objecten en verhalen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *