De zeven wonderen van Brugge

Sommige schilderijen zijn een echt raadsel, waarbij je als toeschouwer heel wat inspanning moet doen om te begrijpen wat je zien. Dit schilderij, ‘SEPTEM ADMIRATIONES CIVITATIS BRUGENSIS’, oftewel ‘De Zeven Wonderen van de Stad Brugge’, dat aan Pieter Claeissens de Oude wordt toegeschreven, is er zo eentje. Je herkent allerlei gebouwen, maar toch is het geen realistische weergave van Brugge. Waarom kiest een schilder voor deze combinatie en deze compositie? We zetten enkele feiten en vooral veel onopgeloste elementen even op een rijtje.

7 wonderen bijgesneden

Pieter Claeissens de Oude, De zeven wonderen van Brugge, Brugge privécollectie, foto: Hugo Maertens Photography Bruges

Herkenbare gebouwen

Enkele gebouwen haalt iedereen er uit. De Stadshallen en het Belfort rechts, links de bakstenen toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk met het Paradijsportaal in witte zandsteen en de langgerekte Waterhalle centraal in beeld. Op het tweede plan staan van links naar rechts de Poortersloge, het Huis de Zeven Torren met Huis ’t Fransch Schild en het Oosterlingenhuis. Daarmee staat de teller op zes van de zeven ‘wonderen van Brugge’. Het zevende gebouw springt minder in het oog. Toch is het zeker niet het minst ‘bewonderenswaardige’ gebouw van de stad. Het Waterhuis links voor de Onze-Lieve-Vrouwetoren staat wat in de hoek gedrongen. Het lijkt op de andere onbestemde ruïnes in het schilderij, want een gedeelte van de gevel is afgebroken om inkijk te bieden.

Tredmolen Waterhuis

Detail met een blik in het Waterhuis met de tredmolen

Daar loopt een ezel of muildier in de tredmolen, die water overhevelt van de ene ringgracht naar de andere. Broodnodig voor de optimale werking van de omwalling en de watervoorziening in de stad.

Handel als centraal gegeven

Er is heel wat volk doende met handel drijven en waren vervoeren te voet, per kar of per schuit. Aan de Halletoren pakt een mensengroepje samen om naar de afkondigingen vanaf het balkon te luisteren. Uiterst links worden tonnen verplaatst met de houten kraan die we ook van andere schilderijen kennen. Andere erg belangrijk gebouwen voor de handel, het Tolhuis en het Pijndershuisje staat op een derde plan tussen de Poortersloge en Huis de Casselbergh in. Maar verder zijn voornamelijk vervallen gebouwen en ruïnes te zien. Om het geheel toch wat perspectief te geven, voorziet de schilder zijn fictieve panorama van Brugge van een hoge heuvel met daarop twee molens.

bedrijvigheid voor de waterhalle

Bedrijvigheid op de Markt voor de Waterhalle

Datering

De keizerlijke dubbeladelaar op het Belfort, een weinig zichtbaar detail, verwijst naar de regeerperiode van Keizer Karel, die in 1555 afstand deed van zijn Spaanse koningschap ten voordele van zijn zoon Filips II. Die krijgt er gelijk ook de Spaanse Nederlanden bij. Het Keizerschap van het Heilig Roomse Rijk gaat over op Karels broer, Ferdinand. Filips II gebruikt uiteraard de keizerlijke dubbelkoppige adelaar niet. Dus kan het schilderij met het keizerlijke embleem waarschijnlijk voor 1556 gedateerd worden.

Enkele architecturale details ondersteunen een datering in het begin van de tweede helft van de 16de eeuw. De hoektorens van het Belfort worden vervangen door andersvormige exemplaren in 1560. Op het schilderij staan nog de oudere torens. Bovendien is de bekroning van de toren van het Oosterlingenhuis in 1582 door een brand verwoest. Vaag is op het schilderij nog de beeltenis van de Duitse keizer op de torenspits te ontwaren. Maar alle visuele elementen samen wijzen toch eerder in de richting van een datering omstreeks 1555-1556.

Opdrachtgever

Het meest prominente gebouw op het schilderij is het Huis De Zeven Torren. Dat stadspaleis in de Hoogstraat net achter de Burg staat centraal afgebeeld. Het lijkt alsof een man in de deuropening staat die zijn gasten verwelkomt. Is dit schilderij besteld door de trotse eigenaar van het gebouw? Een goeie gok naar de opdrachtgever zou dan Juan Lopez Gallo kunnen zijn, hoewel hij het Huis de Zeven Torren en ’t Fransch Schild pas in 1558 koopt. Wie eigenaar is voor die datum konden we niet traceren, ook niet op Kaartenhuis van de collega’s van het Stadsarchief. Lopez Gallo blijft er met zijn gezin wonen tot aan zijn dood in 1571. 

Man in deuropening

Detail van het gezelschap aan de voordeur van Huis De Zeven Torren

Gallo werkt sinds 1557 als factor in Brugge voor de Spaanse kroon. Dit houdt in dat hij leningen afsluit op de Antwerpse geldmarkt met (toekomstige) Castiliaanse domein- en belastinginkomsten als onderpand. Een jaar later krijgt Lopez Gallo de heerlijkheden van Sijsele en Male in handen, als terugbetaling van een tien jaar lopende lening aan Filips II van Spanje en koopt hij dus het stadspaleis in de Hoogstraat. Nog eens twee jaar later, in 1560, ontvangt hij van de Spaanse koning de titel van Baron van Male. In 1561 laat Lopez Gallo weten zijn functie van factor te willen neerleggen. In overeenstemming met de Castiliaanse bureaucratische gewoonten wordt zijn administratie gecontroleerd door ambtenaren van de contaduría en alles wordt in orde bevonden.

Maar wat dan met de keizerlijke dubbeladelaar, die uit onze contreien verdwijnt omstreeks 1556? Gallo was toen nog niet de eigenaar van het Huis De Zeven Torren. En wat bovendien met het al even in het oog springende Oosterlingenhuis, kantoor van de Duitse Hanze, terwijl het Domus Castellanorum, het natiehuis van de Spanjaarden, nergens te bekennen valt? Feit is dat de Hanzeaten op dat ogenblik hun activiteiten al naar Antwerpen hebben verhuisd. Ze onderhandelen vanaf 1545 en tegen 1553 is de verhuis geregeld. Het gebouw dat ze van de stad Antwerpen ter beschikking krijgen, wordt ontworpen door dezelfde architect als het Antwerpse Stadhuis, Cornelis Floris De Vriendt. De Oosterlingen behouden wel het huis in Brugge, al zeker tot in 1582, wanneer het gedeeltelijk afbrandt en de toren met het keizerlijke beeld wordt vernield. 

Oosterlingenhuis pentekening

Pentekening van het Oosterlingenhuis ca. 1550, Brugge coll. Prentenkabinet Musea Brugge, foto: Dominique Provost Photography

Al even opvallend is de recentste herkomstgeschiedenis van het schilderij. Alfred De Man schenkt het aan de Zusters Benedictinessen van het Begijnhof in 1958. Zijn familie is eigenaar van Huis De Zeven Torens tussen 1835 en 1908. Kennelijk is het centrale gebouw op het schilderij reden genoeg geweest om dat werk te verwerven. Of maakte het deel uit van de eeuwenoude inboedel?

Wie van de drie?

Traditioneel wordt dit schilderij toegeschreven aan Pieter Claeissens de Oude (Brugge ca. 1500-1576). Maar van Claeissens sr. kennen we eigenlijk voornamelijk toegeschreven werken. Hij is de stamvader van een schildersfamilie die koppig blijft verder werken in de ooit zo succesvolle Brugse traditie van religieuze taferelen en portretten. Omwille van het detailrealisme in de gebouwen kunnen we er van uitgaan dat de kunstenaar een Bruggeling is of toch lange tijd in Brugge heeft verbleven. Er is bovendien weinig vergelijkingsmateriaal met dergelijke samengestelde stadsgezichten.

Als Claeissens het schilderij niet heeft vervaardigd, komt er dan een andere kunstenaar in aanmerking? De enige kunstenaars die een beetje in het vizier komen, zijn de veelzijdige Lanceloot Blondeel (1496-1561), schoonvader van Pieter Pourbus en Marcus Gheeraerts de Oude (ca. 1521-1590). Beide heren hebben naast en zelfs in hun artistieke praktijk blijk gegeven van hun kennis van architectuur en ruimtelijke vormgeving.

Blondeel sterft in 1561, nog mooi binnen de tijdsperiode waarin we dit schilderij plaatsen. In zijn late werk toont hij een voorkeur voor heuvelige landschappen en ruïnes met kleine figuren in de voorgrond.

Crassus uitsnit

Lanceloot Blondeel, De Marteldood van Generaal Crassus, Brugge coll. Groeningemuseum, foto: Dominique Provost Photography

Blondeel verwerkt bovendien de meest fantasierijke gouden architectuur in zijn schilderijen. Daarnaast ontwerpt hij ook tijdelijke podia voor blijde intreden en de immense architecturale schouw van het Brugse Vrije en hij houdt zich bezig met mogelijke oplossingen voor het verzanden van het Zwin.

Marcus Gheeraerts krijgt in 1561 de opdracht om met een geëtst ‘Plan van Brugge’ niet alleen de voornaamste gebouwen maar ook de nabijheid van Brugge tot de zee te benadrukken. Het Huis de Zeven Torens staat prominent afgebeeld, net zoals de andere gebouwen op ‘De zeven wonderen’. Maar zijn plattegrond van Brugge grenst wel aan de realiteit. Gheeraerts’ ‘Plan van Brugge’ is een voor die tijd bijzonder vooruitstrevende, gedetailleerde en wetenschappelijk benaderde weergave van de stad. Tegelijk is van Gheeraerts onvoldoende geschilderd referentiemateriaal bekend voor een stilistische vergelijking.

Meer vragen dan antwoorden…

Kortom, een concrete datering, een duidelijke opdrachtgever noch een sluitende toeschrijving van dit schilderij kunnen we bieden. Maar misschien blijft het net door al die onopgeloste vragen fascineren. Toch hierbij ook een oproep aan u, beste lezer: stuur gerust jullie eigen theorieën en bedenkingen door. Wie weet lukt het om samen nog enkele stukjes van de puzzel op hun plaats te laten vallen.

Het schilderij is al vaak tentoongesteld in Brugge. Op dit ogenblik kan je het gaan bekijken op de tentoonstelling ‘Pieter Pourbus en de vergeten meesters‘, nog tot 21 januari 2018 in het Groeningemuseum.

Meer objecten en verhalen

1 gedacht over De zeven wonderen van Brugge

  1. […] en winkels een onderkomen vinden. Dat de Waterhalle afgebeeld staat op het schilderij ‘De zeven wonderen van Brugge’, zegt veel over het belang […]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *