Fransientjes

Waarschijnlijk zat er ooit wel eens een Fransientje achter een kantkloskussen. Maar vandaag hebben we het over het fransientje op het kantkloskussen.

In het Middelnederlands verwijst het woord ‘francijn’ naar een stuk perkament van zeer goede kwaliteit dat oorspronkelijk uit Frankrijk kwam. Eeuwen later gebruiken kantwerksters in Vlaanderen het woord voor een doorprikt, smal stuk perkament waarin ze spelden steken en dat het patroon vormt van de lintkant die ze klossen. Ze zetten dit strookje met enkele spelden vast bovenop het kloskussen of op een rol in het kussen. Door het strookje perkament groen te verven, zijn de gaatjes van de prikking beter te onderscheiden, wat het werken vergemakkelijkt. Later stappen de kantwerksters over op kartonnen fransijnen die dezelfde afmetingen hebben als de vroegere perkamenten exemplaren: 23 cm. Op die manier gaan er drie fransijnen in 1 el, de gebruikelijke eenheid waarmee men stof, draad of touw, maar ook lintkant meet.

kantkussen (Small)

Een fransientje gespeld op een rol in het kantkloskussen

Routine loont

Het zijn de kantkoopvrouwen die de fransijnen aan de kantwerksters bezorgen. De fransijnen blijven ook eigendom van deze koopvrouwen, of van de fabrikant wiens naam dikwijls op de achterzijde vermeld staat.

0000_GRO0326_I-2 (Small)

Bruno Van Hollebeke, Portret van een kantkoopvrouw, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO0326.I)

Meestal klossen de kantwerksters in opdracht altijd hetzelfde patroon. Veranderen van motief betekent immers tijd stoppen in het aanleren van het te klossen nieuwe patroon. En het klinkt wrang, maar meer nog dan voor anderen geldt voor de kantwerksters: time is money. Ze worden immers per el gekloste strookkant betaald. Ook de kwaliteit van hun werk is bepalend voor het bedrag dat ze krijgen. Een nieuw patroon aanleren betekent dus een verlies aan inkomsten. Heel vaak worden deze eenvoudige, ongeletterde vrouwen uitgebuit door hun werkgever.

fransientje (Small)

Fransientje of fransijn, coll. Kantcentrum Brugge

Toveren met klosjes

Kantklossen is in Brugge altijd sterk verweven geweest met armoede: klossen is een middel om wat extra centen bij elkaar te harken, hoe schamel ook. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Gent, heeft Brugge zo goed als geen industrie. Werkloosheid, honger en armoede zijn er alom tegenwoordig.

Die ontbering en alles wat ermee samenhangt (denk bijvoorbeeld aan prostitutie) is een doorn in het oog van de Kerk. Daarom worden op last van de bisschop ‘kantwerkscholen’ opgericht. Meisjes leren er onder toezicht van religieuzen niet allen kantklossen maar ook lezen en schrijven. In Brugge ontstaan verschillende grote kantscholen, zoals de De Foereschool, opgericht door priester Leon De Foere in het Hof Bladelin en de kantscholen van de zusters Apostolinnen in de Timmermanstraat en in de Balstraat waar nu het Kantcentrum gevestigd is.

kantschool1

De kantwerkschool van priester De Foere in het voormalige Hof Bladelin

De zusters Apostolinnen organiseren drie eeuwen lang kantonderwijs in de arme Sint-Annawijk. In het begin van de 20ste eeuw zorgen de zusters voor een nieuwe bloei van de ‘Brugse Binche’, een ragfijne kant die omwille van de moeilijkheidsgraad de naam ‘toveressewerk’ krijgt. De zusters tekenen, klossen en onderwijzen deze kantsoort.

Hoe het er aan toegaat in het kantschooltje, lezen we in het boekje De Blinde Kantwerkster van Hendrik De Zeine:

‘De jonge meisjes zijn duchtig aan het werk op hun kantkussens en laten de boutjes of spellewerkstokjes ratelend door hun fijne vingertjes vliegen zodat ze de vlechten maken volgens de tekening die op het fransientje is geprikt. Daarbij steken ze af en toe een speld om de kant vast te zetten of schuiven de al gebruikte klosjes met hun fijne draadjes in een bundeltje bijeen en maken ze vast met een lange clip.
Zo werken ze onverpoosd verder aan het kantstuk dat straks aan de kantkoopvrouw moet worden geleverd die hun het fransientje of het patroon, dat haar eigendom is, bezorgd heeft.
Om de klosjes makkelijker heen en weer te krijgen strooien de kantwerksters wat ‘slierpoer’ op het bordpapier dat op de voorste zijde van het kantkussen ligt en er met vier spelden op vastgemaakt is.
Wanneer ze een eindje kant hebben gemaakt dan trekken ze de spelden uit die de mazen van het fransientje vasthielden, en rollen het gekloste werk op een ‘barretje’ of plat plankje in mahoniehout dat ze in een schuifje in het kussen opbergen. Dan spellen ze opnieuw het deel waar ze opgehouden zijn vast en klossen verder.’

kantwerk (Small)

Kantwerksters van alle leeftijden aan het werk

Meer weten?

Het Kantcentrum in de Balstraat bezit een grote collectie ‘fransientjes’, een erfenis van de zusters Apostolinnen. De vele nog bewaarde patronen hiervan worden nu geklasseerd en gedigitaliseerd. Ook het Gruuthusemuseum heeft ‘fransientjes’ in zijn collectie.

Hendrik De Zeine, De Blinde Kantwerkster, red. Paul Saelens en Martine Mensaert, Damme, 2016

Meer objecten en verhalen

2 gedachten over Fransientjes

  1. ARNOULD Gustave schreef:

    Zeer interessant. Artikel over “francientjes” mag misschien uitgebreid worden met verwijzing naar andere kantklossers en de huidige tentoonstelling in de St Gillis kerk ???

    1. Bruggemuseum schreef:

      Ook voor de Kerk en haar riten werd inderdaad heel wat kant vervaardigd. In de tentoonstelling ‘Vlijtige vingers ter ere van Gods glorie‘ in de Sint-Gilliskerk kan je tot 30 september prachtige stukken kant gaan bekijken. Heel wat van deze stukken worden in kloosters bewaard en worden nu uitzonderlijk getoond.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *