Dat laten we niet over onze kant gaan

In het vernieuwde Gruuthusemuseum zal de ontstaansgeschiedenis van het museum belicht worden. Dat vraagt om archiefonderzoek. En daarbij komt ook wat petite histoire boven. 

Op 7 september 1895 doet een aantal kantfabrikanten uit Brugge zijn beklag bij het stadsbestuur. Zij signaleren een wanpraktijk in Gruuthusemuseum. Daar wordt namelijk kant verkocht (en geen klein beetje) onder het voorwendsel dat deze gemaakt is door weesmeisjes en dat de opbrengst bij de Nationale Bank wordt gedeponeerd om aan de meisjes te worden uitgekeerd op hun 21ste verjaardag. De drie ondertekenaars vragen dat het bestuur snel paal en perk stelt aan deze praktijk.

Dat het om kant gaat, mag niet verbazen. Sinds 1889 kunnen bezoekers in het Gruuthusepaleis de kantcollectie van wijlen barones Liedts bewonderen. Haar echtgenoot schonk deze collectie aan de stad Brugge.

Het Gruuthusepaleis of ‘Musée de Dentelles’ op een prentbriefkaart uit 1910, coll. Stadsarchief Brugge

De volgende dag al roept het College Leopold Deschepper, huisbewaarder van Gruuthuse, bij zich. Na hem gehoord te hebben, beslist het College op 13 september 1895 Deschepper een verbod op te leggen om kant te verkopen.

De dochter van de huisbewaarder

Deschepper blijkt echter hardleers te zijn. Eind augustus 1901 loopt er een nieuwe klacht binnen bij het stadsbestuur. De huisbewaarder zou bezoekers van het kantmuseum naar een kantwinkel in Groeninge sturen waar hij onder de naam van zijn kinderen kant verkoopt (nog steeds gemaakt door Brugse wezen). Weer krijgt Deschepper het verbod om kant te verkopen, voor welke fabrikant of instelling dan ook.

Op 6 september 1901 reageert Deschepper per brief bij het College. Hij schrijft dat hij sinds het verbod van 1895 ‘geen centimeter kant gekocht nog verkocht [heeft] ( …) nog voor rekening van weldanige fabrikant of weldadig gesticht.’ Wel geeft hij toe dat zijn dochter kant verkoopt in Groeninge ‘voor hare rekening’ en dat ‘als de bezoekers vragen waar dat men kanten kan koopen dat ik toch wel mijne dochter mag ten voordeel zijn, en hun haar adres geven.’

De affiche met de erkende kantverkopers in Brugge, coll. Gruuthusemuseum (archief Oudheidkundig Genootschap)

Het College erkent dit recht, maar vindt dat het niet ten nadele van andere fabrikanten mag uitgeoefend worden. Als oplossing komt uit de bus: een affiche ophangen in Gruuthuse met daarop, in alfabetische volgorde, de erkende kantverkopers in de stad. De affiche komt er en ook dochter Irma Deschepper figureert erop, een beetje ironisch net boven Gillemon-De Cock, één van de klagers in 1895 en 1901 (en 1902…).

Het staat in de krant!

Net geen jaar later ploft er weer een brief in de bus bij het stadsbestuur. Vier kantjes deze keer, voor de eerste maal in het Nederlands, mét uitroeptekens én een onderlijning. Irma is ondertussen blijkbaar getrouwd en haar vader stuurt bezoekers nu door naar het huis van de heer Roose-Deschepper: ‘Het persoonneel van het museum vragen aan de bezoekers als zij van zin zijn kanten te koopen, bijzonderlijk de reproductiën van de kunstwerken van het museum, dat het bij H(eer) Roose-Deschepper alleen is dat men dergelijke kanten vindt!!! – en daarop wordt hun eene adres kaart afgegeven (…).’ Alsof dit nog niet erg genoeg is, doet volgens de briefschrijvers een artikel, dat in drie (Franstalige) kranten verschenen is, uitschijnen dat er nog maar één kantwerkster is in heel Brugge die de stukken uit het museum kan namaken: Irma Deschepper.

‘Al deze misbruiken en valsche uitleggingen kunnen niets dan schade veroorzaken aan onze nijverheid en bijzonderlijk aan onze kunstwerksters en zelfs de ontmoedigheid doen ontstaan bij diegene van ons, welke groote opofferingen doen van studie, tijd en geld om onze kunstgewrochten te doen opbeuren en aan te leeren,’ besluiten de briefschrijvers.

Mutsenslip uit de collectie Liedts, coll. Gruuthusemuseum, foto: Cel Fotografie Stad Brugge

Van onze reporter ter plaatse

En inderdaad: in Le Gaulois van 13 augustus 1902, een krant uitgegeven in Parijs, brengt envoyé spécial Robert de Souza in soms ronkende beschrijvingen verslag uit van Les fêtes de Bruges. Uiteraard brengt hij een bezoek aan de tentoonstelling van de Vlaamse Primitieven. Maar hij passeert ook in Gruuthuse waar hij onder andere de kantcollectie Liedts bekijkt. Hij krijgt er de naam Irma Deschepper ingefluisterd en beschrijft hoe hij haar opzoekt in haar schamele huisje in Groeninge. Irma ontvangt hem daar terwijl ze haar baby wiegt, die ze net gevoed heeft (in de bevolkingsregisters staat inderdaad te lezen dat Irma op 3 juli 1902 moeder is geworden van Gustave).

Tijdens het gesprek vertelt Irma dat er slechts tien à twaalf kantwerksters zijn die dergelijke topstukken kunnen maken. Daarvoor krijgen ze 2 frank per dag; de duizenden andere kantwerksters moeten het stellen met 50 à 85 centiemen per dag. Waarom zo hard werken voor zo’n schamel loon, vraagt De Souza. ‘‘Bien, monsieur, … on a du plaisir à bien travailler, n’est-ce pas?’ Et je vis une petite flame d’artiste luire dans ses yeux doux.’

In hun brief van 27 augustus 1902 verwijzen de klagende kantfabrikanten naar artikels die in de Franse pers verschenen zijn, coll. Gruuthusemuseum (archief Oudheidkundig Genootschap)

Een affiche of geen affiche?

De lezing van het artikel in Le Gaulois door de klagende fabrikanten mag een beetje gekleurd genoemd worden. Irma zegt immers dat er nog anderen zijn die kunnen werken zoals zij. Zouden ze eerder bang zijn voor de kritiek op het schamele loon die toch af te leiden valt uit het artikel? Overigens: in het bevolkingsregister staat Irma bij de geboorte van haar kind vermeld als huisvrouw, en niet langer als koopvrouw in kanten. Haar echtgenoot, volgens de briefschrijvers koopman in kanten, staat in de registers als ‘toeziener der stadswerken’ en ‘bediende bij den technieken dienst der stad’ vermeld.

Het College nodigt de briefschrijvers en vader Deschepper nogmaals uit. Na het onderhoud wordt voorgesteld om de affiche in Gruuthuse weg te halen. Waarom dit beslist wordt en of dit ook uitgevoerd wordt, is onduidelijk. In de notulen van het College is voor de maanden september en oktober 1902 alvast niets terug te vinden hierover. Wilden de andere kantverkopers die op de affiche stonden deze misschien wel laten hangen en hebben zij aan het langste eind getrokken?

 

Een afsluitende terzijde: op 1 augustus 1902 schrijven ook de libraires en papetiers naar het stadsbestuur met de klacht dat de conciërges van de publieke monumenten postkaartjes verkopen (één van de ondertekenaars figureert trouwens ook op de ‘kantbrieven’ van 1901 en 1902…). Ze bijten echter in het zand met hun klacht. In potlood staat in de marge van de brief droogjes genoteerd: ‘Cela se fait dans toutes les villes de monde.’

Meer objecten en verhalen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *